Te weinig school, weet je 24 april, 2009
Ik drink thee met meneer G. Zijn kamer is bijna leeg, de muren zijn kaal en wit. Naast me op de bank ligt een dikke map met rekeningen, of, preciezer gezegd, dreigbrieven van incassobureaus. Meneer G. is geboren in Marokko en op zijn achtste naar Nederland verhuisd. Een groot deel van zijn veertigjarige leven heeft hij in instellingen doorgebracht. Nu woont hij in een kleine woning.
Hij glimlacht vriendelijk naar me en moedigt me aan: ‘Kijk rustig, ik heb geen geheimen.’
Maar achter zijn glimlach gaat een kokende woede schuil. Woede over zijn familie die hem belazerd heeft door hem op te sluiten in een gesticht. Woede omdat deze zelfde familieleden hem na zijn ontslag uit de inrichting hem bestelen en het weinige wat bezit proberen af te nemen of, nog erger, zijn huis gebruiken om hun hoeren te ontvangen. Woede omdat ze hem verhinderen een baantje bij een meubelzaak te accepteren. Waarom doen ze hem dat aan? En hij is ook razend op zijn ex-vrouw, die hem in het verleden zijn eerste huis aftroggelde en nu zijn kinderen van hem weghoudt. Bovendien heeft ze met hulp van een Nederlandse ‘vrijwilliger’ beslag weten te leggen op zijn uitkering. Van dat geld laat ze een tweede huis in Casablanca bouwen.
Meneer G. houdt zijn woning graag netjes en op orde. Dat is tenminste iets, redeneert hij, omdat de rest van zijn leven één grote puinhoop is.
De hoogste vordering is van de Belastingdienst en bedraagt enkele duizenden euro’s. Hoe willen ze in godsnaam plukken van een kale kip? vraag ik me af. En hoe en waar kan hij zoveel geld verdiend hebben dat hij een schuld bij de inkomstenbelasting heeft kunnen opbouwen? Niet in de inrichting, zoveel is zeker. Zelf tast hij ook in het duister. Meneer G. is niet bij machte me precies te zeggen hoe oud hij is of hoe je zijn naam spelt. ‘Te weinig school, weet je,’ verklaart hij. Ik vraag of hij een paspoort heeft. Dat heeft hij niet, wel een identiteitsbewijs. Zijn neef heeft een paar keer zijn paspoort ‘geleend’, om een auto te verkopen of een of ander zaakje te regelen, en niet de moeite genomen het terug te geven. De Belastingdienst heeft daar geen boodschap aan; ze heeft keurige schriftelijke – veel te lage – belastingopgaven ontvangen van meneer G., wat vreemd is want die kan helaas lezen noch schrijven. En nu moet hij terugbetalen. Dat probeert hij wel, met telkens een klein bedrag -10 euro, 20 euro – te betalen. Het is voor hem een ereschuld. Meneer G. Is dan ook een man van eer. Behulpzaam naar anderen en altijd beleefd en vriendelijk groetend. Ook als zijn buurman hem op straat toeroept: “Kutmarokkaan! Zit je weer te profiteren van mijn centen?” Hij zegt, “Tja, dat komt door mijn tuin, die helemaal vuil is. Ik kan hem niet opknappen omdat ik een jaar geleden uit het raam gesprongen ben en nu niet meer goed kan lopen en bukken.” Zo heeft hij begrip voor alles en iedereen en wordt zijn leven stukje bij beetje ingepikt door buren, overheid, schuldeisers, tot hij verdwenen is, of opgenomen in een zorginstelling.
Die zorg blijft nu nog een beetje op afstand. Meneer G. Heeft namelijk een te lichte zorgvraag. Dat rechtvaardigt maar een paar uur hulp per week. En dat gaat op met het observeren van zijn ondergang.
Met iets meer inspanning zou meneer G. geholpen kunnen worden om een (betaald) baantje te vinden en het geld buiten bereik van zijn “bedreigers.” Hij zou met zijn grote gevoel voor rechtvaardigheid en hulpvaardigheid een positieve rol kunnen spelen in zijn buurt. Dan moet hij wel geïntroduceerd worden. Een betrokken hulpverlener met wat extra energie zou dat kunnen.
Goede ondersteuning betekent de persoon voor wie je werkt, én jezelf, serieus nemen.
Onlangs ontving ik een uitnodiging voor het afscheid van enkele bestuurders in de Zorg. Er was sprake van een groots buffet en een concert van een toporkest. Ik heb hier voor gepast. Ik heb deze bestuurders namelijk wat te weinig gezien toen zij iets konden betekenen voor mensen als meneer G.. Deze bestuurders nemen zichzelf naar mijn smaak iets te serieus en de noden en mogelijkheden van de mensen voor wie zij werken wat te weinig.