Wat is Inclusie 23 april, 2009
Bijna alle burgers van Nederland delen de overtuiging dat ieder mens zelf beslissingen moet kunnen nemen over het leven dat hij of zij leiden wil. Keuzes dienen gemaakt te worden op grond van eigen voorkeuren, overtuigingen en mogelijkheden. Dit recht op zelfbepaling ligt aan de basis van wat we kwaliteit van leven noemen.
Bijna alle burgers onderschrijven de stelling “Niemand mag uitgesloten worden van deelname aan de maatschappij”. Uitgesloten worden is niet goed voor het individu (het doet werkelijk fysiek pijn) en uitsluiten is ook niet goed voor de samenleving, is zelfs in tegenspraak met dat begrip; want zij wordt daar zwakker en minder evenwichtig door. Dit recht op deelname noemen we inclusie.
Bijna alle burgers willen deel uitmaken van de samenleving en op hun eigen en unieke wijze hieraan bijdragen. Zij voelen zich thuis in een samenleving die verscheidenheid verwelkomt, verschillen respecteert en die er trots op is dat alle mensen bij de samenleving betrokken zijn. Een dergelijke samenleving noemen we een inclusieve samenleving.
Toch is er een grote groep mensen die ondanks deze alom heersende opvattingen vanaf de zijlijn moet toekijken. Dat zijn bijvoorbeeld mensen met een beperking of chronische ziekte. Deze mensen kunnen slechts met de grootst mogelijke moeite en steun een baan bij een baas vinden, een opleiding genieten of op zichzelf wonen. Dit zijn aspecten van het leven die de meeste burgers volstrekt vanzelfsprekend vinden. Zij komen zogezegd niet ‘aan de bak’.
Voor deze mensen hebben we in Nederland in de afgelopen vijftig jaar een aparte wereld gecreëerd. Zij wonen in instellingen, krijgen geen of apart onderwijs en werken meestal niet, afgezien van klusjes op hetinstellingsterrein. Zij doen niet mee. Zij mogen niet meedoen, lijkt een meerderheid van mensen zelfs stilzwijgend te menen. Omdat zij ‘anders’ zijn.
Deze mensen zijn niet gebaat bij de instandhouding van deze aparte wereld. Mensen met een beperking zijn niet ‘anders’ dan anderen. Zij hebben dezelfde behoeften en dromen als andere burgers. Sommigen van hen hebben alleen hulp nodig om die te vervullen. Waarom zouden voor hen het recht op zelfbepaling en inclusie niet gelden? Moeten zij tevreden zijn met een mindere kwaliteit van leven?
De maatschappij als geheel heeft evenmin baat bij deze gescheiden werelden. Een inclusieve samenleving heeft een gunstig economisch effect. Meer arbeidsparticipatie, meer eigen inkomen, minder ziekte en minder beroep op de zorg. Onderzoek heeft aangetoond dat inclusief onderwijs tot een stijging van het niveau van onderwijs leidt. Voorts versterkt inclusie de cohesie binnen de gemeenschap. Er ontstaat een sensitievere manier van met elkaar omgaan, minder xenofoob en beter ingesteld op verschillen.
Het belang van inclusie is veel organisatie- en beleidsmakers dan ook niet ontgaan. In de afgelopen jaren heeft de overheid tal van maatregelen genomen en veel geïnvesteerd om inclusie te bevorderen. Niettemin is uit verschillende onderzoeken, onder meer door het Sociaal Cultureel Planbureau en Stichting Perspectief, naar voren gekomen dat Nederland ten opzichte van andere landen achterblijft bij het realiseren van een inclusieve samenleving. Nederland is nog steeds onvoldoende toegankelijk voor mensen met een beperking. Dat geldt voor het onderwijs, de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg, het vrijwilligerswerk en het verenigingsleven. Maar ook zijn openbare gebouwen, het openbaar vervoer en recreatieve voorzieningen lang niet altijd toegankelijk. De ervaringen van mensen met een beperking en van de mensen in hun omgeving bevestigen dit beeld.
Wat gaat er mis? Het gaat niet om het geld of de goede bedoelingen, maar om de praktijk. In de praktijk weigeren reguliere scholen kinderen met een beperking, zelfs al krijgen ze geld toe. In de praktijk nemen werkgevers geen mensen met een beperking in dienst, zelfs al stelt de overheid hen een premie in het vooruitzicht. In de praktijk saboteert een buurt huisvesting voor mensen met een beperking, zelfs als daar een leuke bijdrage tegenover staat.
Het onuitgesproken achterliggende motief voor deze weerstand is dat mensen met een beperking kneuzen zijn. Dat zij alleen maar in de weg lopen, het al ingewikkelde leven nog verder compliceren en niets te bieden hebben. Het overheersende idee is dat we deze mensen beter – ‘voor hun eigen bestwil’ – op kunnen sluiten in instellingen. Dat deze mensen daarmee gedoemd zijn tot een onvervuld bestaan in de marge van de samenleving wordt gemakshalve buiten beschouwing gelaten. Voor het feit dat deze mensen vaak een onvoldoende of geen sociaal netwerk hebben en eenzaam zijn sluiten we de ogen.
Moeten we ons als samenleving hierbij neerleggen? Dat mag en kan geen uitkomst zijn. Het is onze maatschappelijke taak alles op alles te zetten om een inclusieve samenleving dichterbij te brengen. Vandaar het initiatief voor de Coalitie voor Inclusie.
Erwin Wieringa en Anton Valens