Black Spot Alert, welke regeling is nog meer op mij van toepassing? 30 oktober, 2009

Black Spot Alert – welke regeling is nog meer op mij van toepassing?

Ik liep van de bushalte naar mijn huis en passeerde een kruispunt dat in ambtelijke kringen ook wel eens aangeduid wordt als ‘black spot’. Dat betekent zoiets als: hier gebeuren altijd ongelukken en we hebben nog niet precies uitgevogeld wat daaraan te doen.

Een automobilist ontweek net, luid toeterend, een voetganger die door rood liep. Naast me stond een oudere heer die bij groen licht wilde oversteken, maar die eerst zijn vuist balde tegen een keurig wachtende auto en op ‘zijn groene licht’ wees voordat hij het zebrapad betrad.

allemaal op abbeyroad

allemaal op abbeyroad

Ik herinner me nog hoe decennia geleden het zebrapad met oranje ‘knipperbollen’ werd gemarkeerd. Het betekende dat automobilisten attent werden gemaakt op eventueel overstekende voetgangers. De regel werd veranderd ergens in de jaren zeventig, geloof ik, en vanaf dat moment werd de voetganger Koning. Zodra hij aanstalten maakte het zebrapad te betreden hoorden, nee moesten, auto’s onverwijld stoppen. Dat leverde indertijd dolkomische plaatjes in de krant op van voetgangers die zich plotseling meldden bij het zebrapad en van een automobilist die – ruiterlijk lachend – boven op de rem stond. Wij voetgangers hadden een onmiskenbare machtspositie verworven en dat zouden ze weten ook! Als kwetsbare partij moest je nu eenmaal regelmatig het onderspit delven en daar was tenminste eindelijk wat tegenwicht aan geboden.

Sinds 1970 is het verkeer drukker geworden, de auto’s groter en zwaarder, hun remmen krachtiger en de glimlach van toen is verdwenen en vervangen door de vuist of de opgestoken middelvinger. Het recht van de sterkste tegenover de voorrangsregel. Die regel heeft inmiddels hier in Amsterdam een geheel eigen interpretatie gekregen en is tot gewoonterecht verworden.

Vroeger was de zorg heel simpel: als het écht niet ging, dan werd er wat geregeld met sympathieke buitenstaanders (hulpverleners), waar je meestal via via aankwam. Deze zorgverleners kregen daar bloemen en (soms) subsidie voor. Een enkeling fleste de zaak en daar werden ernstige woorden over gesproken. Dankbaarheid was de regel en betutteling een ongewenst bijeffect.

Tijd om de positie van de zorgvrager te versterken. Meer inzicht en controle, meer zeggenschap en rechten en meer mogelijkheden voor het krijgen van een alternatief aanbod. Geen slechte zaak en de zorgvrager weet zich inmiddels beschermd door een woud van regels en reglementen. Ik zou willen schrijven: een vuistdik boek vol regels, maar zo is ‘t niet, het is een waaier van folders en pamfletten. Postbus 51 heeft niet voor niets die uniek Nederlandse slogan: “En kunt u mij zeggen welke regels nog meer op mij van toepassing zijn?” Je weet (of voelt aan je water) dat in jouw bijzondere situatie meerdere – gunstige – regelingen mogelijk zijn, alleen: je kent ze nog niet. En dus ben je een dief van je eigen portemonnee en dat geeft een rot en onbevredigd gevoel. Niet voor niets wordt dan preventief de vuist geheven om erop te wijzen dat je rechten bezit en dat de ander dat behoort te weten.

Het vervelende is nu, dat de zwaarbevochten zeggenschap van afnemers van zorg inmiddels is ontaard in een strijd over regels en rechten, toepassing van regelingen en verwerving van subsidies. Dat lukt alleen maar als je goed georganiseerd bent en dat betekent dat blokken van ‘gebruikers’ tegenover blokken van ‘aanbieders’ staan. De discussie gaat over poen en misbruik en de toon is net als op het kruispunt bij mijn huis, zwaar verongelijkt.

Niemand vraagt zich echter meer af waar de wandelaar heen gaat, hoe het leven van mensen met een handicap in elkaar zit. Hoe eenzaam en buitengesloten mensen kunnen zijn. Dan gaat het namelijk over kwaliteit van leven en daarmee kan de hulpverlener zich niet echt meer bezighouden. Zo is de zwakke partij uiteindelijk geen steek opgeschoten sinds hij bescherming heeft gekregen.